Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

Geschiedenis

Geschiedenis van de Waalschokker.

Vanaf 1900 werden verschillend soorten schepen gebruikt voor de ankerkuil visserij vooral afgedankte Zuiderzee botters, schokkers, kwakken, aken en tjalken. Deze schepen voldeden echter niet voor dit soort visserij.
Een van de nadelen was het hoge vrijboord achteraan. Ankerkuilers moesten achteraan laag zijn om het werken te vergemakkelijken. Het enige alternatief was dan ook nieuwbouw. Voor zover we weten lieten de compagnons Jacob Sepers Janz en Gerit Teunis Udo Dirkz in 1911 de eerste stalen schokker bouwen voor de ankerkuil visserij op de rivieren. Vanaf 1911 tot 1914 zijn er in Beneden Leeuwen, Druten, Nijmegen en Millingen een tiental schokkers gebouwd. Ze waren allemaal ongeveer 15 meter lang en 4,80 breed. Tijdens de eerste wereldoorlog lag de bouw van nieuwe schokkers volledig stil.
In de jaren twintig begon men weer aan de schokkerbouw. Er waren toen twee werven die schokkers bouwden; Op de werf in Beneden Leeuwen van Eltink en de werf van Janssen in Druten. Deze schokkers begonnen behoorlijk af te wijken van de vorige, de verhouding lengte- breedte veranderde. Eltink legde zich toe op het zo goedkoop mogelijk bouwen, bij Janssen ging men de kop van het schip steeds ronder en hoger bouwen. De laatste schokker werd in 1937 gebouwd door de zonen van Eltink. Uit de periode tussen 1920 en 1937 zijn er zo'n tien schokkers gekend. Vissen met de schokker.
Men kan stellen dat de schokker diende om de kuil open te houden in de stroom. Overdag lag de schokker bij en s'nachts viste hij in de sterkste stroom. Dat kon vanaf half Mei tot eind Oktober op dezelfde plaats zijn. Er werd incidenteel voor de wind gezeild naar een visplaats. Dat gebeurde vroeger tot onderaan in Duitsland toe. Er was meestal nog wel een oud tuig aan boord. Maar wanneer de schepen in Mei naar de visplaatsen vertrokken werden de meeste gesleept. Zoals uit bovenstaand wel blijkt heeft men nooit veel aandacht besteed aan de zeileigenschappen van de schokker. Veel belangrijker was dat het schip zo min mogelijk rankte, terwijl de mast zo lang mogelijk was. Met een lange mast brak men minder makkelijk kuilhouten.
Eind jaren vijftig stopten de meeste ankerkuilvissers wegens de toegenomen drukte van het scheepvaartverkeer en ook wegens de vervuiling van de grote rivieren. Enkele bleven echter nog steeds doorvissen. In 1997 werden vissende schepen verboden op de Waal en dat was het einde van de visvangst met waalschokkers. 

 

 Toen eind 19de eeuw de ankerkuilvisserij langs de rivieren zijn opmars maakte, werden veel houten vissersschepen uit de Zuiderzeevisserij, zoals Schokkers en Botters, voor deze vangstmethode geschikt gemaakt. In de riviervisserij wordt elk vissersvaartuig van formaat een schokker genoemd. Hier in Heerewaarden, dat min of het min het centrum van de riviervisserij werd, zien we voornamelijk botters.
Drie 'schokkers' in cascade. De kuilhouten/kuilbomen van de ankerkuilen staan in vangpositie.
Op de Maas vond men goede visplaatsen kort achter de stuwen, zoals hier bij Alphen aan de Maas. Last van de scheepvaart had men daar tenminste niet. Zo als te zien is werden niet alleen vissersschepen maar ook kleine vrachtschepen voor dit doel gebruikt. Het is voornamelijk de stroming die er voor moet zorgen dat de vis in het net komt.

 

Een echte Waalschokker. Het scheepstype Waalschokker ontwikkelde zich in het begin van de twintigste eeuw. De schepen hadden geen enkele vorm van voortstuwing. Zij werden naar hun ligplaatsen gesleept en konden zich verder alleen langs hun kettingen en draden verhalen.
Daar de paling lichtschuw is, nemen de vissers overdag meestal rust.
Vanuit Nederland trok de ankerkuilvisserij slechts langzaam stroomopwaarts. In 1904 verschenen de eerste schepen op de Duitse Rijn. Tot 1910 kwam men, door een verbod op deze vismethode, slechts tot Koblenz.


                                                                                                                                  

 Bingen, het eindstation, werd in 1914 bereikt. In 1925 lagen er ca. 125 ankerkuilvissers op de Duitse rijn. In Duitsland vist men een goed deel van het jaar zo'n beetje in de vaargeul. Het net heeft men dan aan de landzijde. Hier werd er, mede op het oog op de scheepvaart, bijna uitsluitend 's nachts gevist. De meeste foto's tonen daarom schepen in ruste of schepen waar men de netten droogt. Hier een botter ter hoogte van de Lorelei.
Op diverse plaatsen werd de vis met een scheepje opgehaald en hoefde de visser zelf niet voor het verdere transport en de verkoop te zorgen.
Door de toenemende vervuiling van de rivier lopen de vangsten na 1950 sterk achteruit. De genadeklap volgt in juni 1969 als nabij Bingen een grote hoeveelheid gif in de Rijn geraakt. Naar schatting 40.000.000 vissen sterven. Bouwjaar : 1934 Werf : Janssen te Druten(NL)

 

In 1953 werd het schip gekocht door de heer Willy Udo ( geb. 1926 in Dreumel). Het schip lag op de Maas en er werd mee gevist op de Waal en Rijn in Duitsland. In 1959 werd het schip terug verkocht. De toenmalige naam van het schip was Kristina II. Over de periode ervoor en daarna is tot nu toe niets bekend.

De Beri van J. Udo uit Dreumel in Sankt Goar. Eind vijftiger, begin zestiger jaren. Vissend met de ankerkuil.


Twee 'schokkers' met hun ankerkuilen gehesen. Deze vorm van visserij trok vanaf Moerdijk in hoog tempo steeds de rivieren op. Ook op de Duitse Rijn genoot deze vismethode grote populariteit.

  

Afbeeldingen Waalschokker